Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslag op de bijstandsnorm van alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen Wwb gemeenten Goes en Noord-Beveland

1. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde maximumbedrag. 3. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder waarop het tweede lid niet van toepassing is 50% van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde bedrag, behoudens wanneer dit elders in deze verordening anders is bepaald. Een zelfde toeslag is ook van toepassing indien betrokkene: - kostgever is met één kostganger; - kostganger is; - onderverhuurder is met één onderhuurder; - onderhuurder is. 4. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder, in afwijking van lid 3 bepaald op het in art. 25, 2e lid van de wet genoemde maximumbedrag, indien de kosten van bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld met: a. kinderen die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 Wtos, dan wel waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat; of b. thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet op de studiefinanciering 2000; of c. een medebewoner die een verzorgde of verzorginsbehoeftige is. 5. Geen toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de wet wordt verstrekt indien drie of meer alleenstaanden tezamen, niet zijnde een kostgever met zijn kostgangers of onververhuurder met zijn onderhuurders, de kosten van bestaan met elkaar kunnen delen. 6. Geen toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de wet wordt verstrekt indien een kostgever twee kostgangers houdt en een onderverhuurder twee onderhuurders heeft. 7. De kosten van het bestaan die met een ander kunnen worden gedeeld of lager zijn als gevolg van (inkomsten) uit woningdeling houden voor de toepassing van dit artikel in: a. woonkosten; b. overige kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel