Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Verlaging van de bijstandsnorm van gehuwden/samenwonenden

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen Wwb gemeenten Goes en Noord-Beveland

1. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2. De verlaging als bedoeld in het 1e lid bedraagt voor een gezin in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft nihil. 3. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor gehuwden waarop het tweede lid niet van toepassing is 50% van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde bedrag, behoudens wanneer dit elders in deze verordening anders is bepaald. Een zelfde verlaging is eveneens van toepassing indien de gehuwden: - kostgever zijn met één kostganger; - kostgangers zijn; - onderverhuurder zijn met één onderhuurder; - onderhuurders zijn. 4. De verlaging als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien de kosten van het bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld met: a. kinderen die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 Wtos, dan wel waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat; of b. thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet op de studiefinanciering 2000; of c. een medebewoner die een verzorgde of verzorginsbehoeftige is. 5. De verlaging als bedoeld in het eerte lid bedraagt 100% van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde bedrag wanneer de kosten van bestaan met minimaal twee anderen, niet zijnde kostgangers (kostgevers) of onderhuurders (onderverhuurders), kunnen worden gedeeld. 6. De verlaging als bedoeld in het 1e lid bedraagt 100% van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde bedrag indien een kostgever twee kostgangers houdt en een onderverhuurder twee onderhuurders heeft. 7. De kosten van het bestaan die met een ander kunnen worden gedeeld of lager zijn als gevolg van (inkomsten uit) woningdeling houden voor de toepassing van dit artikel in: a. woonkosten; b. overige kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel