Naar hoofdinhoud
De norm voor een gezin bij wie een ander zijn hoofdverblijf heeft of dat in de woning van een ander haar hoofdverblijf heeft en dat de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen, wordt verlaagd met een bedrag ter hoogte van 10% van de gezinsnorm. In afwijking van lid 1 vindt geen verlaging plaats indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kunnen worden gedeeld dan wel het gezin uit 3 of meer rechthebbende personen bestaat. a. Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. b. Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten is ook sprake indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een zorgbehoevende bloedverwant in de eerste graad waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 4, lid 5 van de wet of een bloedverwant in de tweede graad waarbij sprake is van zorg als bedoeld in artikel 4, lid 5 van de wet tussen deze bloedverwant en een van de gezinsleden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel