Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die
onbeloonde additionele werkzaamheden verricht in de vorm van een
participatieplaats conform artikel 10a, zesde lid van de wet een
premie van 25% van de inkomsten van het vrij te laten bedrag,
zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de wet.
Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke
zes maanden beoordeeld.
De premie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het
college blijkt dat de
belanghebbende de aan de participatieplaats verbonden
verplichtingen in de voorgaande zes maanden heeft
geschonden.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid komen ook personen
als bedoeld in artikel 7, derde lid van de wet, voor een premie
in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.
Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de
participatieplaats door het college bekeken in hoeverre scholing
of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
inschakeling in het arbeidsproces.
Het college betrekt bij deze beoordeling:
het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
participatieplaats uitvoert;
de scholingswens van de belanghebbende;