Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3:

Artikel 3:6

– Participatieplaatsen

Onderdeel van Participatieverordening 2010

Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht in de vorm van een participatieplaats conform artikel 10a, zesde lid van de wet een premie van 25% van de inkomsten van het vrij te laten bedrag, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de wet. Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes maanden beoordeeld. De premie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college blijkt dat de belanghebbende de aan de participatieplaats verbonden verplichtingen in de voorgaande zes maanden heeft geschonden. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid komen ook personen als bedoeld in artikel 7, derde lid van de wet, voor een premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen. Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de participatieplaats door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college betrekt bij deze beoordeling: het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de participatieplaats uitvoert; de scholingswens van de belanghebbende;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel