1. De afstemming van het recht op bijstand bij gedragingen zoals deze in de artikelen 2:3, 2:4 en 2:6 zijn omschreven is vastgesteld op:
a. 5% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie,
b. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie,
c. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie,
d. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie,
e. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vijfde categorie.
2. De afstemming van het recht op bijstand bij gedragingen zoals deze in artikel 2:5 zijn omschreven, is vastgesteld op:
a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste vorm,
b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede vorm,
c. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde vorm,
d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde vorm,
e. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vijfde vorm.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 2:7
– De hoogte en duur van de afstemming
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2010