Naar hoofdinhoud
1. Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks voor 1 april een ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, gebaseerd op toegelichte programma’s alsmede een overzicht van financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. Indien uitvoering is gegeven aan het gestelde in artikel 29, tweede lid, houdt het dagelijks bestuur bij het opstellen van de ontwerpbegroting daarmee rekening. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twee maanden na ontvangst daarvan aan het dagelijks bestuur schriftelijk hun gevoelen doen blijken. 2. Het dagelijks bestuur dient jaarlijks voor 1 juni bij het algemeen bestuur de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar in, voorzien van een memorie van toelichting alsmede een overzicht van financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming). Bij dezen zijn gevoegd de reacties van de raden van de deelnemende gemeenten op de toegezonden stukken als omschreven in het eerste lid. 3. Het algemeen bestuur stelt vervolgens voor 1 juli de begroting vast. Indien uitvoering is gegeven aan het gestelde in artikel 29, tweede lid dient de begroting voor dat onderdeel in overeenstemming te zijn met hetgeen de betreffende gemeente aangaande haar eigen financiële bijdrage heeft gesteld. 4. Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen veertien dagen na de vaststelling aan de raden van de deelnemende gemeente. 5. Het algemeen bestuur zendt de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling, ter kennisneming aan Gedeputeerde Staten. 6. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen zo mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel