1. 1. Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen:

    a het aantal personen dat gedurende het seizoen verblijf heeft gehouden, bepaald op:

    3, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 4 meter, doch ten hoogste 8 meter;

    4, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 8 meter, doch ten hoogste 12 meter;

    5, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;

    b het aantal etmalen dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden, bepaald

    op 24.