1. Het is verboden ter plaatse van een archeologisch monument of een
archeologisch gevoelig gebied vanwege de aangetoonde of waarschijnlijke
aanwezigheid van archeologische monumenten door ingrepen de grond
zodanig te veranderen, dat het grondwaterpeil verandert, dan wel
graafwerk te verrichten op een diepte van meer dan 0,40 meter onder het
ter plaatse geldende maaiveld.
2. Nadat advies is ingewonnen bij de tot opgraven bevoegde instantie,
kunnen burgemeester en wethouders vergunning verlenen voor
graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter mits het archeologisch
gevoelige gebied voldoende is beschermd door:
a. de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders aan
te wijzen personen op het terrein;
b. de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om graafwerk en/of
documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten.
3. Op de behandeling van aanvragen om vergunning als bedoeld in het
tweede lid is het bepaalde in de artikelen 12, 13 en 14 van
overeenkomstige toepassing.