Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 4:

Systematiek persoonsgebonden budget

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Olst-Wijhe 2012

Lid 1: De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een zaak, worden bepaald als tegenwaarde van de zaak die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn. Voor voorzieningen uit het met de leverancier afgesproken kernassortiment is hiervoor een overzicht opgesteld. Zie hiervoor de bijlagen. De genoemde bedragen zijn jaarlijks aan indexatie onderhevig. Daarnaast zijn genoemde bedragen onderhevig aan verandering van bedragen naar aanleiding van een aanbestedingstraject. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Zie hiervoor de bijlagen. De genoemde bedragen zijn jaarlijks aan indexatie onderhevig. Daarnaast zijn genoemde bedragen onderhevig aan verandering van bedragen naar aanleiding van een aanbestedingstraject. Lid 2: Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Lid 3: Verstrekking van een budget als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats indien: de voorziening een vervoerspas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer betreft; er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de aanvrager zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget en (professionele) hulp niet beschikbaar is; er sprake is van de verstrekking van een voorziening voor huishoudelijke verzorging bij een hulpvraag die naar verwachting niet langer zal duren dan drie maanden; op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager een eerder ontvangen persoonsgebonden budget niet in overeenstemming met het doel en/of bestemming heeft ingezet; Lid 4: Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijkeverzorging, moet de budgethouder rekening houden met controle door het college naar debesteding van het persoonsgebonden budget en moet de budgethouder hiervoor van belangzijnde stukken beschikbaar houden. Lid 5: Het persoonsgebonden budget voor een eenmalige voorziening wordt door de budgethouder na aanschaf van of besteding aan de voorziening aan het college verantwoord. Lid 6: Voor zover het een persoonsgebonden budget voor een periodieke voorziening betreft, controleert het college steekproefsgewijs. Tenminste 10% van de PGB-uitgaven wordtjaarlijks gecontroleerd. Lid 7: Na de in het vierde en vijfde lid genoemde controle wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen. Lid 8: Bij verstrekking van het persoonsgebonden budget is de budgethouder verplicht in iedergeval de volgende stukken op verzoek te verstrekken: Bij huishoudelijke verzorging: een gesloten zorgovereenkomst tussen budgethouder en zorgverlener; betalingsbewijzen van de verrichte betalingen; of (indien wettelijk noodzakelijk) een overzicht van de salarisadministratie met bewijsstukken. Bij overige individuele voorzieningen de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aanschaf van de voorziening. Lid 9: De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor het aanschaffen verwijderen van een woonvoorziening wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoalsvermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Lid 10: Als de particuliere aanvrager tevens de woningeigenaar is, dan is aanvrager verplicht tweeoffertes in te dienen. Lid 11: Het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van detegenwaarde van de aanschafprijs van de goedkoopst-adequate voorziening, indien nodigverhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, op te vragen bij de huisleverancier. Lid 12: Het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen, wordt vastgesteld op basis van detegenwaarde van de huurprijs van de goedkoopst adequate voorziening inclusief onderhouden reparatie zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald. Lid 13: Het verstrekken van de financiële tegemoetkoming betreft alleen de periode dat de woonruimte van de aanvrager ten gevolge van het verrichten van een woningaanpassing niet bewoond kan worden en daardoor voor dubbele woonlasten komt te staan. De tegemoetkoming wordt alleen verleend als de aanvrager redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. Lid 14: De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving bedraagt dewerkelijke kosten gedurende maximaal zes maanden waarbij de eerste twee maanden niet inaanmerking komen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het verstrekken van de tegemoetkoming is dat de woning voor meer dan €4.538,- moet zijn aangepast. Lid 15: De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatievan woonvoorzieningen bedraagt de werkelijke kosten waarbij de frequentie van onderhoud enkeuring aan leverancier en gemeente wordt voorbehouden. Lid 16: Bij verkoop binnen 5 jaar dient het bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald. Het afschrijvingsschema luidt als volgt: voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde; voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde; voor het derde jaar 60% van de meerwaarde; voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde en voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.

Rechtspraak bij dit artikel