Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III

Artikel 13

- Plaatsbepaling

Onderdeel van Leidraad inzake (her)straatwerkzaamheden kabels en leidingen

1.. in overleg met het (nuts)bedrijf reserveert de gemeente voor nieuw te leggen leidingen aparte leidingstroken en geeft daarin voor ieder (nuts)bedrijf in principe de ligging van de leidingen aan. De leidingstroken zijn zoveel mogelijk vrij van gesloten verhardingen en te handhaven beplanting; 2.. voor de afstand van nieuwe leidingen tot objecten gelden de volgende minimale streefmaten in meters: distributiegasleidingen gevels bomen struiken 1.00 1.00 0.50 distributiewaterleidingen gevels bomen struiken 1.00 1.00 0.50 middenspanningskabel gevels bomen struiken 1.00 1.50 1.00 laagspanningskabels gevels bomen struiken 0.50 1.00 0.50 communicatiekabels gevels bomen struiken 0.50 1.00 0.50 warmteleidingen gevels bomen struiken de afstanden worden in overleg vastgesteld. 3.. in bermen langs rijbanen is de afstand tot de zijkant van de verharding ten minste gelijk aan de diepteligging, tenzij anders wordt overeengekomen; 4.. de gemeente reserveert voor te handhaven beplanting aparte plantvakken, waarbinnen geen leidingstroken voorkomen; 5.. hett (nuts)bedrijf wijkt niet af van de overeengekomen plaats, tenzij met voorafgaande toestemming van de gemeente; 6.. de ligging van leidingen dient zoveel als mogelijk, te voldoen aan het gestelde in de normen NEN-1738 en NEN-1739 ("plaats van leidingen en kabels in wegen buiten en binnen de bebouwde kom") en NEN-1091 ("Stalen leidingen boven 1 bar"), tenzij in overleg tussen de gemeente en het (nuts)bedrijf anders wordt overeengekomen (bijvoorbeeld gemeentelijk normprofiel/vereiste minimale diepte); 7.. Indien de plaatselijke toestand niet strookt met het gemeentelijk normprofiel, zullen de juiste plaats en de diepte in het werk door middel van proefgaten in overleg met de gemeente worden bepaald; 8.. de plaats van de te leggen leiding wordt zodanig bepaald, dat de afstand tussen de te graven sleuf en de kant van de verharding niet minder bedraagt dan de diepte van de sleuf. In bijzondere gevallen kan in overleg met de gemeente van deze bepaling worden afgeweken; 9.. objecten boven de grond behorend bij het kabel- of leidingentracé dienen voorzien te zijn van een kenmerk waaruit duidelijk blijkt wie de eigenaar/ beheerder is van het object. Bedoeld worden o.a. kasten, straatpotten, KB-paaltjes.

Rechtspraak bij dit artikel