Een persoon met beperkingen kan voor een individuele voorziening als bedoeld in
artikel 18, lid 2 onder a en b, in aanmerking komen als:
- - de in het eerste lid van artikel 18 genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
- - de in het eerste lid van artikel 18 genoemde voorziening niet beschikbaar is.