Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › AFDELING 4.

Artikel 2:5

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan of beheersverordening; of door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Het verbod geldt ook niet als daarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel