Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Het verbod in het eerste lid geldt niet als daarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
HOOFDSTUK 2. › AFDELING 4.
Artikel 2:6
(Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een uitweg
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening