Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5

Artikel 16

Verhouding inkomen - huurprijs

Onderdeel van Huisvestingsverordening gemeente Oldebroek 1998

Het inkomen van het huishouden moet in een redelijke verhouding tot de huurprijs van de woonruimte staan. Bij de toepassing van het gestelde in het eerste lid hanteren burgemeester en wethouders voor de bepaling van de verhouding tussen de huurprijs en het daarbij ten hoogste toegestane inkomen de op het moment van toewijzing geldende inkomensgrenzen i.c. de aftoppingsgrenzen van de Huursubsidiewet. Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in onderdeel a van dit tweede lid een eigen gemeentelijke grens vaststellen onder de aftoppingsgrens zoals genoemd in de Huursubsidiewet. Voor de bepaling van het inkomen worden de volgende nadere uitvoeringsregels gehanteerd: als inkomen wordt het laatst bekende belastbare jaarinkomen gehanteerd; als bewijsstuk hierbij geldt de daarop betrekking hebbende aanslag in de inkomstenbelasting; indien geen aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd, geldt als bewijsstuk de laatste jaaropgave van de werkgever(s) of uitkerende instantie(s) met betrekking tot het bruto-inkomen; indien de aanvrager kan aantonen dat het inkomen sinds de vaststelling van het laatst bekende inkomen overeenkomstig a en b is verminderd of spoedig zal verminderen (bijvoorbeeld in verband met pensionering of VUT) geldt in afwijking van het onder a of b gestelde dat lagere inkomen; burgemeester en wethouders kunnen de woningzoekende vragen een zogenaamd IB-60-formulier met betrekking tot het meest recente kalenderjaar te overleggen ter verificatie van het opgegeven huishoudensinkomen; indien alleen bewijsstukken van het meest recente bruto-inkomen worden gehanteerd, zal er een omrekening plaatsvinden van bruto-inkomen naar belastbaar inkomen. Onverminderd het bepaalde onder a en b dient altijd een bewijsstuk van het meest recente bruto-inkomen te worden overgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel