**1..** Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB of de artikelen 30c, tweede lid en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging van de bijstand toegepast.
**2..** Het college verlaagt de uitkering, in het kader van de IOAW, overeenkomstig deze verordening ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende, die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW of in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of een op grond van hoofdstuk III van de IOAW aan de uitkering verbonden verplichtingen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
**3..** Het college verlaagt de uitkering, in het kader van de IOAZ, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAZ, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichtingen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan.
**4..** Onverminderd artikel 42 van de wet WIJ, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college misdraagt.
**5..** Een verlaging van bijstand of uitkering wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten, de omstandigheden waarin hij verkeert en de mate waarin schade wordt toegebracht aan het re-integratietraject.
**6..** Een verlaging in het kader van de WWB en WIJ wordt voor een bepaalde tijd vastgelegd. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt binnen een door het college te bepalen periode heroverwogen maximaal binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd als bedoeld in artikel 18, lid 3 WWB en artikel 41, lid 3 WIJ.
**7..** Het niet voeren van verweer door de belanghebbende IOAW, IOAZ tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een verlaging op grond van het tweede lid van artikel 20 IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk 1.
Artikel 2
- Het toepassen van een verlaging in het kader van de WWB, de IOAW , de IOAZ en de WIJ
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ, WIJ 2010