De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
a) de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe
op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of
gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b) de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare
meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
college;
c) deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan
automatische deuropeners
hellingbanen en extra trapleuningen
verbreden van toegangsdeuren
het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;
d) de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie
of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er derhalve geen
sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
e) de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte
die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ12
instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.
f) De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van
de in woning gebruikte materialen
Artikel 20.
Toekenning en weigering van woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2010