Naar hoofdinhoud
In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat partners de kosten van het huishouden met elkaar volledig kunnen delen. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de noodzakelijke kosten nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten daadwerkelijk met elkaar kunnen worden gedeeld niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. Artikel 26 Wwb opent de mogelijkheid om de gezinsnorm te verlagen. Dat is geregeld in artikel 5 van de verordening. Evenals dat de maximale toeslag met 10% wordt verlaagd voor alleenstaanden die medebewoner zijn, wordt de norm met hetzelfde percentage verlaagd. Voor medebewoners die inwonen bij een eerstegraads bloedverwant geldt parallel dat de verlaging in die gevallen 15% bedraagt. Ook voor gehuwden geldt dat artikel 18 lid 1 Wwb met zich kan meebrengen dat van een verlaging wordt afgezien. Wat daarover bij artikel 3 is gesteld geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 5. Om die reden is in het tweede lid opgenomen dat geen verlaging op de norm van de ouderhoofdbewoner wordt toegepast als deze een inwonend meerderjarig kind heeft dat jonger is dan 23 jaar of een inkomen heeft dat lager is dan 50% van de gehuwdennorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel