De norm of de toeslag kan worden verlaagd voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke bestaanskosten heeft ten gevolge van het bewonen van een woning waaraan voor hem geen woonkosten zijn verbonden. Het gaat er dus niet om dat er geen kosten aan de woning zelf zijn verbonden.Artikel 27 Wwb biedt, zoals al in de toelichting op artikel 3 is aangegeven, daarvoor de wettelijke basis. Onder gebruikmaking van deze bevoegdheid wordt de toeslag (voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder) of de norm (voor gehuwden) verlaagd met 15%. Als de verlaging hoger is dan de toeslag die op grond van artikel 3 is berekend, bedraagt de verlaging hoogstens de op grond van artikel 3 vastgestelde toeslag. Om die reden is de verlaging in lid 2 beperkt tot 10%.
Om te verduidelijken wat met ‘woonkosten’ wordt bedoeld, is in artikel 6 opgenomen dat het om huur of hypotheeklasten moet gaan, conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW.
Deze bepaling ziet primair, maar niet uitsluitend, op uitkeringsgerechtigden die alleen een zelfstandige woonruimte bewonen. De regeling is echter tevens van toepassing als er andere personen bij hem inwonen. Bovendien kan deze bepaling worden toegepast als niet vastgesteld kan worden wie als hoofdbewoner moet worden aangemerkt. Dat kan zich voordoen bij krakers.
In het vierde lid is een anticumulatiebepaling opgenomen. Om te bereiken dat de bijstandsuitkering bij het ontbreken van woonkosten en medebewoning met hetzelfde percentage wordt verlaagd als voor de alleenstaande en om te voorkomen dat een cumulatie van alle verlagingen ertoe zou leiden dat de bijstandsnorm onder de ondergrens van 65% zou belanden, is in een dergelijke situatie de verlaging beperkt tot 20 %.