Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.Begripsbepalingen

Artikel 1.Begripsbepalingen

Onderdeel van Gewijzigde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2010

Onder a. Wet. Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wmo opgenomen citeertitel van de wet. Onder b. en c. College en Besluit. Deze onderdelen spreken voor zich. Onder d. Compensatiebeginsel. Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt. Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel. Voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement. De zinsnede “in aanvaardbare mate” is afgeleid van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg (zie o.a. CRvB 20-02-2002, 01/1115 WVG, CRvB 02-08-2005, 00/969 WVG en CRvB 01-02-2006, nr. 03/2988 Wvg, maar ook CRvB 19-09-2007, 06/1478 Zfw). Onder e. Beperkingen. De term “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Het hiervoor genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.” Onder f. Persoon met beperkingen. De (wettelijke) doelgroep is ruimer dan het begrip gehandicapte in de zin van de Wvg (vgl. CRvB 29-04-2009, nrs. 08/2290 Wmo e.a.). Naast personen met beperkingen omvat de doelgroep ook personen met een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem . Omwille van de leesbaarheid is de doelgroep samengevat in het begrip “persoon met beperkingen”. Onder g. Zelfredzaamheid. Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op het eerder genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd. Onder h. Maatschappelijke participatie. Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd. Onder i. Algemene voorziening. Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. Het college bepaalt welke voorzieningen als algemene voorziening worden aangemerkt en legt dit vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling en geen eigen bijdragen. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de persoon met beperkingen wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd is. Onder j. Individuele voorziening. Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de persoon met beperkingen. Door het college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en personenalarmering. Onder k. Eigen bijdrage De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels zijn gesteld. In het ministeriële Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die het college heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen, als het daartoe wil overgaan. Een eigen bijdrage is alleen mogelijk bij een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, en dus niet bij een financiële tegemoetkoming. Onder. l. Eigen aandeel Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “eigen aandeel in de kosten van een voorziening”(TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van een eigen aandeel. Onder m. Voorziening in natura. Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening. Onder n. Persoonsgebonden budget (pgb). Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de persoon met beperkingen onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking over de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar. Voor zover het gaat om hulp bij het huishouden wordt onder het persoonsgebonden budget ook begrepen de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 1 Wet op de loonbelasting 1964. Onder o. Financiële tegemoetkoming. Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. Onder p, Inkomen In dit onderdeel is geregeld wat onder inkomen wordt verstaan. De definitie van het inkomen in artikel 4.2 ministeriële Besluit maatschappelijke ondersteuning is gebaseerd op artikel 21 onderdeel e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waar staat: 1°. indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen; 2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon; Onder q. Algemeen gebruikelijk. Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de Wmo niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de persoon met beperkingen, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen: die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn; die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon kan worden gerekend. Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de AWBZ is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wmo terug. Onder r. Meerkosten. Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”; deze twee verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociale probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de persoon met beperkingen vergelijkbare persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon met beperkingen niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht. Onder. s. Hoofdverblijf In artikel 1 Wmo wordt het begrip hoofdverblijf gebruikt in de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding en in de definitie van het begrip huisgenoot (artikel 1 lid 1 onderdeel s.). Daarnaast is in artikel 19 Verordening nadrukkelijk bepaald dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen. Over het begrip hoofdverblijf heeft zich uitgebreid jurisprudentie gevormd. Uit de thans bekende jurisprudentie mag de conclusie worden getrokken dat de gegevens uit de GBA bij de vaststelling van de hoofdverblijfplaats belangrijk zijn, doch dat tegenbewijs met betrekking tot de feitelijke woonplaats openstaat en door de rechter serieus meegewogen wordt in het eindoordeel. De vraag of sprake is van hoofdverblijf in deze Verordening zal worden beoordeeld aan de hand van deze jurisprudentie. Onder t. Leefeenheid Deze definitie is van belang voor de gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg wordt alleen van huisgenoten in de leefeenheid verwacht (artikel 11 Verordening). De definitie zelf behoeft geen nadere toelichting. Onder u. Huisgenoot. Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt, met uitzondering van de kamerhuurder en de kostganger. Deze uitzondering geldt alleen als er sprake is van een commerciële relatie tussen de kamerhuurder/kostganger en woningeigenaar. Als er een familierelatie bestaat, zal er over het algemeen niet snel sprake zijn van kamerverhuur of kostgangerschap. Onder v. Budgethouder. De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen. Onder w. Rolstoelvoorziening Deze definitie is opgenomen om duidelijk te maken dat er voor wat betreft het verplaatsen in en om de woning een duidelijk verschil is tussen woonvoorzieningen (traplift) en rolstoelvoorzieningen waarvan de primaire functie het rijden is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel