**1..** Alle aanbieders gedogen elkaar in de ruimte voor kabels en leidingen zoals deze bij de uitvoering van de werkzaamheden in werkelijkheid blijkt te zijn. De nieuw te leggen kabels verhinderen niet de bereikbaarheid van de al in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen en de daarbij behorende voorzieningen.
**2..** Om onnodig ruimtebeslag te voorkomen en de ondergrondse ordening beter te structureren, worden de eigen te leggen kabels en leidingen zoveel als mogelijk gebundeld. Verder worden kabels en leidingen die door de aanbieder blijvend buiten gebruik zijn gesteld bij het openliggen van de sleuf verwijderd, tenzij het college uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Daarnaast houdt de aanbieder bij de aanleg rekening met mogelijke uitbreidingen in de nabije toekomst om op korte termijn in hetzelfde tracé werkzaamheden te voorkomen.
**3..** Kabels en leidingen worden door de aanbieder in het kabel- en leidingentracé aangelegd volgens het door de gemeente aangegeven dwarsprofiel.
**4..** De aanbieder legt zijn kabels en leidingen in volgorde van voorkeur eerst onder de verharding van het voetpad, het fietspad of de rijbaan. De aanbieder ziet erop toe dat de minimale dekking van de kabels en leidingen 60 cm bedraagt, gemeten vanaf de onderzijde van de verharding exclusief de fundering.
**5..** In afwijking van lid 4 geldt voor mantelbuizen dat dezelfde dekking ten minste 70 cm bedraagt.
**6..** De horizontale afstand van de te leggen kabels en leidingen of ondergrondse objecten tot de riolering en de daarbij behorende voorzieningen bedraagt minimaal 100 cm. Huis- en kolkaansluitingen zijn hiervan uitgezonderd.
**7..** In bermen langs rijbanen bedraagt de afstand van de te leggen kabels en leidingen tot de zijkant van de verharding minimaal 75 cm.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.7
Ondergrondse ordening en (diepte)ligging
Onderdeel van Beleidsregels betreffende het aanleggen, in stand houden, verplaatsen en verwijderen van kabels en leidingen Amersfoort 2009