**1..** Als belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan, dan wel de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de wet, artikel 20 van de IOAW/IOAZ, artikel 38, tweede lid Bbz of de artikelen 30c tweede en derde lid van de wet SUWI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze verordening de hoogte van de bijstand afgestemd op deze gedragingen.
**2..** Verlaging van de bijstand wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten.
**3..** In het besluit tot afstemming van de bijstand wordt in ieder geval vermeld:
- - de reden van de afstemming;
- - de duur van de afstemming;
- - de ingangsdatum van de afstemming;
- - het percentage of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd, en
- - de reden om af te wijken van een standaardverlaging, indien van toepassing.
**4..** Het college ziet af van afstemming van de bijstand indien:
- - elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
- - de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend, dan is de periode vijf jaar.
**5..** Het college kan afzien van het afstemmen van de bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
**6..** Indien het college afziet van afstemming op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.