Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3,

lid 4

Onderdeel van Toeslagen- en verlagingsverordening wet werk en bijstand

Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever ervan uitgegaan dat deze de bestaanskosten geheel met een ander kan delen, net zoals dat bij gehuwden het geval is. De gehuwdenuitkering dient dan ook als uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag. De gehuwdenuitkering is gebaseerd op het principe dat het gehuwden alle kosten geheel kunnen delen. Indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder de kosten echter niet kan delen, wordt er een toeslag gegeven ter dekking van deze kosten. De bedragen worden bepaald in percentages van het minimumloon. Om de hoogte van de toeslag te kunnen bepalen moet worden nagegaan welk deel van de gehuwdenuitkering bestemd zou zijn ter dekking van deze kostenposten. Aan de in het derde lid genoemde kostenposten worden de volgende percentages gekoppeld: ·Ad woonkosten. In de gehuwdenuitkering is voor de woonkosten een bedrag opgenomen ter hoogte van 18% van het netto minimumloon. Dit percentage is gebaseerd op de norm die door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gehanteerd voor de vaststelling van de grens voor huurtoeslag. Zoals hiervoor uiteengezet is, omvat de basisnorm voor een alleenstaande daarmee een bedrag ter hoogte van 9% van het netto minimumloon voor de dekking van woonkosten. Een alleenstaande die de woonkosten niet kan delen, ontvangt bovenop de basisnorm een toeslag van 9% van het netto minimumloon. ·Ad overige woonkosten. De gehuwdenuitkering omvat voor deze kostenpost, volgens berekeningen gemaakt door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, een bedrag ter hoogte van 12% van het netto minimumloon. Een alleenstaande die deze kosten niet kan delen ontvangt een toeslag van 6% van het netto minimumloon. De hier genoemde toeslagen tellen op tot 15% van het netto minimumloon. Een toeslag voor een echte alleenstaande (ouder) bedraagt echter 20% van het netto minimumloon. Deze extra 5% wordt gegeven omdat partners een optimaal voordeel behalen omdat zij veelal alles gezamenlijk doen zoals het nuttigen van maaltijden, gezamenlijk op vakantie gaan, gezamenlijke sociale verplichtingen hebben, economischer gebruik maken van nutsvoorzieningen etc. Dit voordeel bedraagt in procenten uitgedrukt dus ongeveer 5% van het netto minimumloon. Hierin onderscheidt zich de "gezamenlijke huishouding" van "twee personen die een woning bewonen, alle kosten delen, doch niet voldoen aan de definitie van een gezamenlijke huishouding". De toeslag wordt trapsgewijs opgebouwd: indien men niet als een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt, bestaat er recht op een toeslag van 5% van het netto minimumloon; zodra er daarnaast een voorziening is die men niet met een ander kan delen, wordt de toeslag opgehoogd met het daarbij behorende percentage van het netto minimumloon. Hierbij wordt uitgegaan van het principe "hoe minder voorzieningen worden gedeeld, hoe minder kosten kunnen worden gedeeld, hoe hoger de toeslag is". De maximale toeslag wordt bereikt indien geen kosten kunnen worden gedeeld.

Rechtspraak bij dit artikel