De in artikel 2 genoemde rechten worden geheven als volgt:
Havengeld, zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel a van deze verordening: van de kapitein, de gezagvoerder,
de schipper, de reder, de eigenaar of de bevrachter van het
vaartuig, dat ligplaats neemt of voor anker gaat in de havens;
Kadegeld, zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel b van deze verordening: van degene die van een voor de
openbare dienst bestemde kade of wal van de havens gebruik maakt om
tijdelijk goederen op te slaan;
Liggeld, zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel c van deze verordening: van de kapitein, de gezagvoerder,
de schipper, de reder, de eigenaar of de bevrachter van het vaartuig
dat een vaste ligplaats is toegewezen in de havens;
Jachtwerfgeld, zoals bedoeld in artikel
2, onderdeel d van deze verordening: van de bezitter of houder van
de Jachtwerf.
Winterliggeld, zoals bedoeld in artikel
2, onderdeel e van deze verordening: van de kapitein, de
gezagvoerder, de schipper, de reder, de eigenaar of de bevrachter
van het vaartuig dat een vaste ligplaats is toegewezen in de
havens;
Schutgeld, zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel f van deze verordening: van de kapitein, de gezagvoerder,
de schipper, de reder, de eigenaar of de bevrachter van het
vaartuig.