Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 11.

Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2012

1.. Met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ weigert het college de uitkering blijvend indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2.. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het door dit gedrag verloren inkomen. 3.. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. 4.. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het derde lid is gelijk aan 50% van het door dit gedrag verloren inkomen

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel