1.
Het college kan de vergunningen, zoals genoemd in het eerste, tweede en derde lid van artikel 5.1.12, intrekken of wijzigen:
a.
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
b.
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
c.
wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
d.
wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;
e.
op verzoek van de vergunninghouder;
f.
wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt, en
g.
om redenen van openbaar belang.
2.
Een vergunning komt van rechtswege te vervallen:
a.
bij overlijden van de vergunninghouder;
b.
wanneer de vergunninghouder ophoudt eigenaar of houder te zijn van het voertuig, waarvoor de vergunning is aangevraagd.
Hoofdstuk 5. › Afdeling 1.
Artikel 5.12
d Intrekken of wijzigen (z)
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening