Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Rechthebbenden

Onderdeel van Langdurigheidsverordening 2012-A

1.. Voor een langdurigheidstoeslag komt in aanmerking degene, die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen per maand, dat niet hoger is dan 101% van de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet. 2.. Geen recht op langdurigheidstoeslag heeft de persoon, die op de peildatum een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000. Artikel 3 Hoogte van de toeslag De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: voor gehuwden € 500,00 voor een alleenstaande ouder € 447,00 en voor een alleenstaande € 350,00. Voor de toepassing van het eerste lid is de gezinssituatie op de peildatum bepalend. Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag als gevolg van artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet dan komt de rechthebbende echtgenoot voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel