Archeologische relicten vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden, in het bijzonder voor die perioden, waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven. De archeoloog bestudeert de materiële resten uit het verleden (zoals aardewerk, gereedschappen en etensresten) in samenhang met hun vondstcontext (zoals grondlagen, grondsporen, begravingen en landschappelijke situering) om aan de hand daarvan kennis te verkrijgen over onze voorouders en de omgeving waarin ze leefden. Deze feitelijke kennis levert een verrassend gedetailleerd geschiedenisverhaal over onze voorouders en het landschap waarin zij leefden.
De resten en de context waarin ze voorkomen, noemen we het bodemarchief. In Barendrecht zijn de afgelopen jaren belangwekkende vindplaatsen ontdekt en waar nodig (voor een deel) onderzocht: uit de Prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Ook zijn er gebieden binnen de gemeente Barendrecht waar een dergelijk bodemarchief nog niet bekend is, maar waar de kans op het aantreffen van archeologische waarden wel hoog is.
Om het bodemarchief te kunnen raadplegen (te kunnen ‘lezen’) moeten de materiële resten in samenhang met hun vondstcontext worden gedocumenteerd. Zo worden tijdens een opgraving vondsten en grondsporen ingemeten, getekend, gefotografeerd en bemonsterd. De nauwkeurige documentatie is van belang, aangezien het bodemarchief maar eenmalig te raadplegen is. Opgraven is in zekere zin het gecontroleerd vernietigen van het bodemarchief. Vandaar dat archeologen tegenwoordig proberen het bodemarchief, wanneer dit niet bedreigd wordt, zo goed mogelijk in situ (ter plaatse in de bodem) te behouden.
Het bodemarchief is uiterst kwetsbaar. Door de grootschalige bodemingrepen ten behoeve van onder meer bouwwerkzaamheden, de aanleg van infrastructuur, waterwerken, en polderpeilverlagingen is het bodemarchief in kwantiteit (en soms ook in kwaliteit) sterk achteruitgegaan. Het besef dat het bodemarchief eenmalig geraadpleegd kan worden en dat de ‘voorraad bodemarchief’ eindig is, heeft geleid tot nieuwe wet- en regelgeving in Nederland en andere landen (zie hoofdstuk 4). De essentie van het huidige beleid van Rijk en provincie is dan ook het zo veel en zo goed mogelijk behouden van het bodemarchief in situ en, indien behoud niet mogelijk is, dit tijdig te documenteren. Daardoor zijn ook volgende generaties in staat hun vragen aan het verleden te stellen, net zoals wij dat nu doen. Ook zij kunnen zodoende inspiratie putten uit dat verleden en bijdragen aan de identiteit en kwaliteit van de leefomgeving.
Uitgangspunt 1: De gemeente Barendrecht streeft er naar om het bodemarchief zoveel mogelijk in situ te bewaren. Bekende archeologische waarden worden door planaanpassing zo veel mogelijk ontzien. Zodoende kunnen archeologische waarden behouden blijven en worden opgravingskosten uitgespaard. Om het archeologisch erfgoed zo goed mogelijk te behouden en planaanpassing te kunnen realiseren, dienen archeologische informatie en belangen zo vroeg mogelijk te worden ingebracht en worden meegewogen in het proces van ruimtelijke ordening. Indien behoud van het bodemarchief niet mogelijk is, dient het gedocumenteerd te worden (‘behoud ex situ’).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Barendrecht: een rijk en kwetsbaar bodemarchief
Onderdeel van Nota Archeologiebeleid