Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 4

Uitgangen en vluchtroutes

Onderdeel van Beleidsregel voor het gebruik van tijdelijke inrichtingen

1. De ingangen, uitgangen, nooduitgangen, doorgangen, gangpaden, trappen en vluchtwegen moeten te allen tijde over de volle breedte zijn vrijgehouden van obstakels. 2. Een deur(opening) in de vluchtroute wordt bij aanwezigheid van personen in een inrichting uitsluitend zodanig gesloten, dat de deur(opening) van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. De deur moet daarbij in de vluchtrichting draaien (artikel 7.12 Bouwbesluit). 3. Aan de buitenzijde van de, op de gewaarmerkte tekening(en) aangegeven nooduitgang(en), moet duidelijk zichtbaar het opschrift: “NOODUITGANG VRIJHOUDEN” te zijn aangegeven in ten minste 8 cm hoge letters (artikel 6.25 Bouwbesluit). 4. Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van: een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien; een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, op minimaal 1 m1 boven de vloer, over de volle breedte van de deur aangebrachte stang, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze stang (panieksluiting conform de NEN-EN 1125) (artikel 6.25 Bouwbesluit). 5. In een inrichting moeten minimaal twee (nood)uitgangen aanwezig zijn (minimaal 5 meter uit elkaar). 6. De vrije breedte van een (nood)uitgang moet minimaal 0,90 m1 bedragen. 7. De vrije hoogte van een (nood)uitgang moet minimaal 2 m1 bedragen. 8. De paden naar de nooduitgangen moeten over een breedte van ten minste 2m1 worden vrijgehouden van obstakels. Dit geld ook voor de buitenzijde van een inrichting. 9. De vrije hoogte van een gangpad waarvan meer dan 50 personen gebruik moeten kunnen maken, moet over de benodigde uitgangsbreedte ten minste 2 m1 bedragen. 10. Er dient voldoende uitgangsbreedte voor de aanwezige personen aanwezig te zijn, d.w.z.: 1 meter uitgangsbreedte per 90 personen in geval de uitgangen bestaan uit tentdoek; 1 meter uitgangsbreedte per 135 personen in geval de uitgangen bestaan uit vaste deuren en er verder geen beperkende factoren voor het veilig vluchten aanwezig zijn. 11. De (nood)uitgangen moeten zover mogelijk van elkaar gelegen zijn, met dien verstande dat de loopafstand tot enige uitgang niet groter dan 30 m1 mag zijn. 12. Binnen een straal van 2 meter van de (nood-) uitgang(en) mogen geen tafels, stoelen, tuien of andere obstakels aanwezig zijn. Dit geldt eveneens voor de buitenzijde. 13. Alle kabels en overige leidingen die op de grond zijn gesitueerd t.b.v. enige voorziening in de tijdelijke inrichting, dienen op zodanige wijze te zijn beschermd, dat beschadiging, struikelen en/of vallen wordt voorkomen; 14. Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m1 tussen de vloer van een richting en het aansluitende terrein ter plaatse van de uitgangen, moet worden overbrugd door een trap of hellingbaan; de breedte moet tenminste gelijk zijn aan de breedte van de uitgang, vermeerderd met 0,50 m1. De trap of hellingbaan moet steeds voldoende stroef zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel