Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling
gemaakt van de ernst van de gedraging, de mate waarin de
belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
omstandigheden waarin belanghebbende verkeert.
Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de
algemene bijstand/inkomensvoorziening op de mate van
verwijtbaarheid geldt het volgende:
wanneer een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt
de periode vanverlaging vastgesteld op een maand;
b.wanneer een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt
wordt de periodevan verlaging vastgesteld op twee maanden;
wanneer een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
drie maanden.
Wanneer het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over
twee of drie maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te
passen, wordt ter vervanging daarvan de verlaging over één
maand verdubbeld, dan wel verdrievoudigd.
Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 12 van
deze verordening in beschouwing te worden genomen.
Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de
bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5, lid 1 van deze
verordening op de mate van verwijtbaarheid geldt het
volgende: wanneer er sprake is van omstandigheden waardoor
er aanleiding is om toch bijzondere bijstand te verlenen
wordt op individuele gronden in meer of mindere mate
afgeweken van het percentage als genoemd in artikel 5, lid 1
van deze verordening. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de
mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een
geldlening, als bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de
Wet Werk en Bijstand.
Hoofdstuk 4.
Artikel 8
Nadere afstemming
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening WWB en IOAW 2013 gemeente Tytsjerksteradiel