Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3.

Artikel 3.

Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Dalfsen 2012 A

De hoogte van de langdurigheidstoeslag is afhankelijk van de gezinssituatie. De bedragen zijn destijds afgeleid van de normenbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met de bijstandsbedragen. Vóór de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag op 1 januari 2009 werd de hoogte hiervan bepaald door de rijksoverheid. Bij gehuwden moet in het oog gehouden worden dat het recht op langdurigheidstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op langdurigheidstoeslag (vergelijk bijvoorbeeld CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, LJN BN2529). Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikel 11 of 13 lid 1 WWB genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op langdurigheidstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in artikel 3 lid 2 van deze verordening. In lid 4 is bepaald dat voor de toepassing van de hoogte van de langdurigheidstoeslag moet worden uitgegaan van de situatie op de peildatum. Om niet jaarlijks de verordening voor de bedragen te hoeven aanpassen is gekozen om de bedragen jaarlijks te verhogen met een vastgesteld percentage.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel