Een woonvoorziening wordt bij voorkeur verstrekt in de vorm van een verhuiskostentegemoetkoming, indien de noodzakelijke woningaanpassing naar verwachting meer kost dan € 6.807. Bij de afweging tussen verhuizing of woningaanpassing kunnen vervolgens de volgende factoren een rol spelen:
beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte;
vergelijking kosten huidige en nieuwe woonruimte: tegemoetkoming voor verhuiskosten, de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning, kosten van het eventueel vrijmaken van de woning, een eventuele tegemoetkoming voor huurderving;
De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing en aanpassen;
snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden door verhuizing dan wel aanpassing. De richtlijn is dat een verhuizing gerealiseerd moet kunnen zijn binnen een medisch verantwoorde termijn. De medisch verantwoorde termijn wordt aangegeven door het indicatieorgaan. Daarbij wordt rekening gehouden met in de huidige woning aanwezige of aan te brengen noodvoorzieningen.
aanwezigheid mantelzorg in huidige en nieuwe woonomgeving;
binding van de aanvrager met de wijk;
ligging van de huidige en nieuwe woonruimte ten opzichte van voorzieningen en werklocatie;
Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), bedrijfsmatige consequenties van de verhuizing;
consequenties van verhuizing dan wel aanpassing voor de woonlasten van de aanvrager. Voor aanvragers, die op grond van hun inkomen in aanmerking komen voor Huurtoeslag, is hierbij de richtlijn dat de verhuizing niet mag leiden tot overschrijding van de fiatteringgrens (het op dat moment geldende maximum), tenzij de aanvrager geen bezwaar heeft tegen een huurverhoging;
overige financiële consequenties van verhuizing dan wel aanpassing voor eigenaar-bewoner, zoals vermogenswinsten of -verliezen bij verkoop.
Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend.
Artikel 3.6 Primaat losse woonunit
Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17). Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering.
Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel.
Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit.
Is een losse unit niet mogelijk, of niet de goedkoopste adequate voorziening, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt.
Artikel 3.7 Afweging bouwkundige of niet-bouwkundige voorzieningen
Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Het gaat hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden door een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook wordt bij voorkeur met losse voorzieningen gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen in een slooppand wonen.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.5
Primaat verhuizing
Onderdeel van Verstrekkingenboek individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort