Naar hoofdinhoud
Voor vervoer naar werk en onderwijs bestaan voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- en regelgeving. Ook voor vervoer in verband met therapie, dagbehandeling of bezoek aan medische behandelaars bestaan in bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Dit vervoer betreft niet het leven van alledag en valt niet onder de WMO. Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de WMO-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Artikel 4.4 Kortingen Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners Deze categorie mensen heeft in de regel een lagere vervoersbehoefte dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Op basis van het Besluit wordt een gehalveerd persoonsgebonden budget voor vervoerskosten verstrekt. Uitzonderingen zijn mogelijk, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. Slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - is er compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Van vereenzaming van een bewoner van een AWBZ-instelling is sprake indien hij niet in staat is zelfstandig sociale contacten te leggen, op te bouwen en te onderhouden en daardoor niet aan de activiteiten van de instelling kan deelnemen, èn daardoor in zodanige mate afhankelijk is van het ouderlijk huis dat dit als zijn thuis moet worden beschouwd. Voor het opheffen van de eenzaamheid en ter voorkoming van dreigende vereenzaming wordt in beginsel een aantal van 17 à 18 weekendbezoeken per jaar aan het ouderlijke milieu of een wezenlijk contact in beginsel als adequaat beoordeeld. Dit aantal is de uitkomst van een aanvaardbaar te achten patroon van eens per drie weken een bezoek aan “thuis”, eens per drie weken bezoek ontvangen in de instelling en eens per drie weken eventueel een weekend zonder familiecontact. Bij minderjarige AWBZ-bewoners met een verstandelijke beperking wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Bij deze groep wordt uitgegaan van een frequentie van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis. 2. Beperkte vervoersbehoefte Indien er sprake is van een beperkte vervoersbehoefte wordt het persoonsgebonden budget voor vervoer met 50 % gekort; Indien er sprake is van een zeer beperkte vervoersbehoefte wordt het persoonsgebonden budget voor vervoer met 75% gekort. 3. Samenvallende vervoersbehoefte De vervoersbehoefte kan samenvallen met die van een partner. Bij een niet samenvallende vervoersbehoefte van echtparen en daarmee gelijk te stellen leefvormen wordt ten hoogste 150% van een enkel persoonsgebonden budget verstrekt voor het gebruik van het individueel vervoer; Bij kinderen onder de leerplichtige leeftijd valt de vervoersbehoefte doorgaans samen met die van de ouders, zoals ook gebruikelijk is bij kinderen zonder beperking. Voor kinderen tot vier jaar wordt daarom geen normbedrag beschikbaar gesteld Voor vier- tot twaalfjarigen geldt een kortingspercentage van 25% omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid zoals ook gebruikelijk is bij kinderen zonder beperking. 4. Combinatie van voorzieningen Indien op grond van andere verstrekte vervoersvoorzieningen reeds voor een deel in de vervoersbehoefte wordt voorzien kan op de norm een korting worden toegepast: Wanneer bij uitzondering een persoonsgebonden budget wordt verstrekt aanvullend op collectief vervoer bedraagt de korting 75%; Bij een gesloten al dan niet aangepaste buitenwagen bedraagt deze korting 100 %. 5. Cumulatie van kortingen Bij cumulatie van kortingen worden respectievelijk de korting voor een beperkte vervoersbehoefte, de partnerkorting en de leeftijdskorting toegepast. Artikel 4.5 Primaat collectief vervoer: de Regiotaxi De Regiotaxi is een voorziening die binnen de rangorde van voorzieningen het primaat heeft. Dit betekent dat eerst wordt gekeken of kan worden volstaan met het verlenen van het gebruik van de Regiotaxi onder tegemoetkoming in de extra kosten ten opzichte van het regulier OV, voordat eventueel andere voorzieningen worden verleend. Om in aanmerking te komen voor vervoer met de Regiotaxi tegen gereduceerd tarief moet aan één van de volgende voorwaarden zijn voldaan. De aanvrager: kan openbaar vervoer niet gebruiken vanwege in/uitstapproblemen, lang staan, zitten of het niet kunnen bereiken van de dichtstbijzijnde halte; kan openbaar vervoer niet gebruiken vanwege sociaal/psychische factoren waardoor de privacy of de veiligheid van cliënt of medepassagiers niet is gegarandeerd, of vanwege andere reden ( b.v. gedragsstoornissen). Ook niet met begeleiding; kan ook na training openbaar vervoer niet zonder begeleiding gebruiken op grond van cognitieve of visuele beperkingen (minimumleeftijdsgrens 12 jaar), maar kan wel zelfstandig reizen met de Regiotaxi. Artikel 4.6 Het gebruik van een collectief vervoerssysteem van een AWBZ-instelling Om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget voor vervoer met een bestaand collectief vervoerssysteem van een AWBZ-instelling moet in aanvulling op de criteria in artikel 4.5 aan de volgende voorwaarde zijn voldaan: De aanvrager heeft in de Regiotaxi begeleiding nodig, maar kan met het vervoerssysteem van de AWBZ-instelling zelfstandig reizen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel