1. Het college kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de vergunninghouder;
b. indien de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen bedrijf of beroep meer uitoefent in het gebied waarvoor een parkeervergunning is verleend;
c. indien er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning;
d. indien voor het desbetreffende zone in de binnenstad of in het schilgebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen of wordt gewijzigd;
e. indien de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverlichting voor zijn parkeervergunning heeft voldaan;
f. indien de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften;
g. indien blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
h. indien op een adres meer dan één parkeervergunning voor bewoners is verleend en het vergunningenplafond binnen de betreffende zone inmiddels is bereikt;
i. indien in strijd met artikel 14, lid 2 van deze verordening wordt gehandeld;
j. om redenen van openbaar belang.
2. Een besluit tot het intrekken, beëindigen of wijzigen van een parkeervergunning wordt met redenen omkleed. Voordat wordt besloten tot intrekking, beëindiging of wijziging van de parkeervergunning wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. De belanghebbende wordt van het besluit tot het intrekken, beëindigen of wijzigen van de parkeervergunning schriftelijk in kennis gesteld.