Indien de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt de bijstand of langdurigheidstoeslag verlaagd, naar gelang de hoogte van het benadelingsbedrag.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op:
a. ‘het getoonde besef van verantwoordelijkheid’, indien de belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt voor kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening, wordt de bijzondere bijstand afgestemd op. Deze beoordeling vindt individueel plaats;
b. 100% van het benadelingsbedrag, tenzij het inkomen van belanghebbende hierdoor langdurig veel lager zou zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm minus de verlaging die het college zou toepassen indien de belanghebbende algemene bijstand aanvraagt voor de kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening;
c. 20% van de bijstandsnorm gedurende de periode dat belanghebbende bij verantwoorde besteding van de middelen nog geen beroep op de bijstand had hoeven doen indien de belanghebbende zijn middelen onverantwoord besteedt;
d. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand indien belanghebbende de hem opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet niet nakomt.
Hoofdstuk
Artikel 10:
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand 2007