1 Onder de naam “belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten”
worden ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe
belastingen geheven:
a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit,
beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
beperkt recht.
2 Bij de gebruikersbelasting wordt:
a gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
gebruik heeft gegeven;
b het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor volgtijdig
gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter
beschikking heeft gesteld.
3 Degene die een in het vorige lid bedoelde bedrijfsruimte in gebruik
heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in
gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld.
Hoofdstuk
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2014