1 Als één ruimte wordt aangemerkt:
a een binnen de gemeente gelegen ruimte;
b een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn
indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
c een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in
onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in
gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar
behoren;
d het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde
ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in
onderdeel c bedoeld samenstel.
Hoofdstuk
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2014