1 De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden
toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze
zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
nemen.
2 In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een
bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in
een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van
beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde, indien die leidt
tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de
berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a de aard en de bestemming van die ruimte;
b de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en
functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in
aanmerking wordt genomen.
3 In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
woonruimte dat deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet
1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming
van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een
tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout
te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer
noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de
woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.
4 Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en
onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde
die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.
5 Bij de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden blijft
buiten aanmerking de waarde-verhogende invloed van de bouw, daaronder
begrepen verbouwing of verbetering van een roerende woon- of
bedrijfsruimte, zolang die bouw nog niet is voltooid of geen
voltooiingverklaring is afgegeven, dan wel zolang die roerende woon- of
bedrijfsruimte nog niet is gereedgekomen voor gebruik overeenkomstig de
bestemming die met de bouw wordt beoogd.
6 Indien een roerende woon- of bedrijfsruimte geheel wordt verbouwd,
gepaard gaande met gedeeltelijke afbraak en met herbouw, een en ander
van een zodanige omvang dat naar maatschappelijke opvatting met die
verbouwing de stichting van een geheel nieuwe of een nagenoeg geheel
nieuwe roerende woon- of bedrijfsruimte wordt beoogd, wordt voor de duur
van de verbouwing de waarde van die woon- of bedrijfsruimte buiten
aanmerking gelaten.
7 Indien de bouw, verbouwing of verbetering zover is gevorderd dat een
gedeelte daarvan is gereedgekomen voor gebruik overeenkomstig de
bestemming, is het bepaalde in het vijfde onderscheidenlijk het zesde
lid met betrekking tot dat gedeelte niet van toepassing.
Hoofdstuk
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2014