Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien:
de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen, tenzij de vergunning binnen dat tijdvak is verlengd;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
Het besluit tot intrekking van de vergunning wordt schriftelijk ter kennis van betrokkene gebracht en met redenen omkleed.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 2.3.4
Intrekking vergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening 1999