Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.5.3

Voordracht

Onderdeel van Huisvestingsverordening 1999

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20en 21 van de wet kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een ter beschikking gekomen woonruimte die behoort tot de in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën een voordracht tot verhuring van de woonruimte aan een door burgemeester en wethouders aangegeven woningzoekende doen. Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde voordracht komen in aanmerking de woningzoekenden die voldoen aan de in artikel 2.3.3 genoemde criteria voor vergunningverlening. 3. a. Binnen twee weken nadat de eigenaar het ter beschikking komen van de woonruimte heeft gemeld of anderszins is gebleken dat de woonruimte ter beschikking is gekomen, zenden burgemeester en wethouders een voordracht van ten hoogste 3 woningzoekenden, of berichten zij aan de eigenaar dat geen voordracht zal worden gedaan. Van de voordracht worden de desbetreffende woningzoekenden door burgemeester en wethouders schriftelijk in kennis gesteld. Binnen twee weken na ontvangst van de voordracht dient de eigenaar de woningzoekende(n) te benaderen en burgemeester en wethouders schriftelijk te berichten of met (één van) de woningzoekende(n) een huurovereenkomst zal worden afgesloten. Indien de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) weigert, dient hij de reden daarvan schriftelijk aan burgemeester en wethouders te berichten. Burgemeester en wethouders stellen de voorgedragen woningzoekende(n) hiervan in kennis en geven daarbij aan wat het gevolg van de procedure zal zijn. Indien een voorgedragen woningzoekende de woonruimte weigert, dient hij/zij de reden daarvan schriftelijk aan burgemeester en wethouders te berichten. Indien de woonruimte door de voorgedragen woningzoekende(n) wordt geweigerd, of de eigenaar van de woonruimte de voorgedragen woningzoekende(n) om naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen weigert, kan een tweede voordracht worden gedaan binnen twee weken nadat burgemeester en wethouders van de weigering in kennis zijn gesteld. Voorgedragen woningzoekenden worden geacht te hebben geweigerd, indien zij niet binnen twee weken nadat zij van de voordracht in kennis zijn gesteld aan de eigenaar of aan burgemeester en wethouders hebben laten weten dat zij de aangeboden woonruimte accepteren. Het bepaalde in de “Regels inzake passendheid” blijft buiten toepassing, indien: burgemeester en wethouders schriftelijk hebben bericht dat geen voordracht zal worden gedaan; zij niet binnen de termijn als genoemd in het derde lid, onder a een voordracht hebben gedaan; alle door hen voorgedragen woningzoekenden de aangeboden woonruimte hebben geweigerd. Indien de eigenaar niet binnen de gestelde termijn een bericht als bedoeld in het derde lid, onder b heeft gezonden of als hij de voorgedragen woningzoekende(n) zonder naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde reden weigert, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig hoofdstuk IV van de wet tot vordering van de woonruimte overgaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel