Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Ontstaan van de belastingschuld

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2010

1De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2 In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de belasting terstond verschuldigd na afloop van het parkeren, indien wordt geheven door middel van het aanmelden bij de centrale computer. 3 De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4 Indien het een bewoners- bedrijfs- of werknemersvergunning betreft en het tijdstip waarop de vergunning ingaat later is dan 1 januari van het kalenderjaar waarop de vergunning betrekking heeft, is de belasting verschuldigd voor zoveel volle dagen dat het kalenderjaar nog telt. 5 Indien een parkeervergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt op schriftelijke aanvraag restitutie van de belasting verleend over de nog niet ingetreden volle dagen, waarop de parkeervergunning betrekking heeft. 6 De in het vorige lid bedoelde restitutie wordt uitsluitend verleend indien de vergunning en de daarbij behorende bescheiden zijn geretourneerd bij de gemeente. 7 Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de houder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de parkeervergunning geldt geen gebruik kan maken van de parkeervergunning, wordt restitutie verleend over het aantal volle maanden gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest. 8 Restitutie van de parkeerbelasting wordt niet verleend indien het bedrag daarvan minder bedraagt dan € 10,00.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel