1 De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2 In afwijking van het vorige lid moet de belasting, indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het aanmelden bij de centrale computer, overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na de dag waarop het belastbare feit heeft plaats gevonden.
3 De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van mondelinge – dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede begrepen een nota of andere schriftuur:
op het moment van uitgifte van de vergunning indien de kennisgeving mondeling is gedaan;
terstond, voordat de vergunning wordt verleend, indien de kennisgeving schriftelijk is gedaan.
4 Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 9
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2010