Als de persoon met beperkingen niet in staat is op eigen kracht noodzakelijke voorzieningen rond de woning te bereiken wordt een vervoersvoorziening aangeboden.
Op basis van een daartoe strekkende indicatie kan een van de volgende voorzieningen worden verstrekt:
een driewielfiets of een aanpassing aan een fiets aan de beperkingen van belanghebbende;
een elektrische buitenrolstoel;
een scootermobiel;
een gesloten buitenwagen;
een aanpassing voor de rolstoel zodat deze als handbike te gebruiken is;
een ander verplaatsingsmiddel.
De afstand die de persoon met beperkingen kan afleggen rond de eigen woning, met een van de in het tweede lid genoemde voorzieningen, wordt vastgesteld op 500 kilometer per kalenderjaar.
Artikel 28 De vervoersbehoefte in de rond de woonplaats gelegen regio
De omvang van een persoonsgebonden vervoersbudget wordt vastgelegd in het Wmo-besluit. Het budget wordt berekend op basis van:
een cirkel van 25 kilometer vanaf het huisadres van de belanghebbende;
kilometer per kalenderjaar als de belanghebbende tevens beschikt over een voorziening als bedoeld in artikel 27;
kilometer per kalenderjaar als de belanghebbende niet beschikt over een voorziening als bedoeld in artikel 27.
Het in het eerste lid genoemde budget is bedoeld voor de inkoop van vervoer met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Personen met beperkingen die, op grond van zeer specifieke omstandigheden zittend in een rolstoel vervoerd moeten worden, komen in aanmerking voor een hogere vergoeding, mits zij gebruik maken van een specifiek op deze doelgroep toegesneden vervoersvorm, zijnde een rolstoeltaxi. Een en ander wordt nader uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.
Ook voor de in lid 2 omschreven vervoersvorm wordt bij de vaststelling van het maximaal aantal te rijden kilometers per jaar een onderscheid gemaakt tussen degenen die wel en die niet beschikken over een voorziening als bedoeld in artikel 27.
Het is de persoon met beperkingen niet toegestaan het in het tweede en derde lid genoemde budget te besteden aan een ander doel dan waarvoor het verstrekt is.
Een budget wordt toegekend aan een persoon. Indien op een woonadres meerdere personen zijn geïndiceerd zal aan ieder een budget worden toegekend op basis van de persoonlijke omstandigheden.
De hoogte van het vervoersbudget wordt jaarlijks vastgesteld en vastgelegd in het Wmo-besluit.
Artikel 29 Uitbetaling van het budget
In het Besluit maatschappelijke ondersteuning staan nadere regels over de uitbetaling van het vervoersbudget.
Het college verzoekt de persoon met beperkingen een verklaring af te leggen over het aantal verreden kilometers en de gekozen vervoersvorm.
Het staat de persoon met beperkingen vrij om de beschikbaar gestelde vervoerskilometers naar eigen inzicht op te nemen. Als bovengrens geldt daarbij het maximum aantal kilometers per kalenderjaar.
Artikel 30 Een andere noodzakelijke vervoersvoorziening
Als er sprake is van dusdanige specifieke omstandigheden dat vervoer per regulier vervoermiddel noch rolstoelgebonden vervoer een mogelijkheid is, dan zullen burgemeester en wethouders in samenspraak met de persoon met beperkingen een passende oplossing zoeken om daarmee te voldoen aan de in de wet neergelegde compensatieplicht.
Burgemeester en wethouders bepalen dat een specifieke, individuele vervoersvoorziening als bedoeld in het eerste lid, bij een inkomen dat gelijk is aan of meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen, gezien wordt als algemeen gebruikelijk en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Als zich een situatie voordoet als bedoeld in het tweede lid, dan verstrekken burgemeester en wethouders voor een door de persoon met beperkingen zelf aangeschaft vervoermiddel mogelijk de noodzakelijke aanpassingen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de persoon met beperkingen.
Niet tot aanpassingen, als bedoeld in het derde lid, worden gerekend die optionele mogelijkheden die algemeen gebruikelijk zijn en door de fabrikant in opdracht van de persoon met beperkingen en op diens kosten kunnen worden aangebracht.
Artikel 31 Bijzondere bepaling
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, in overleg met de persoon met beperkingen, te bezien of de mogelijkheid bestaat om het in artikel 28 genoemde budget over een aantal jaren samen te voegen om als tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een eigen vervoermiddel in te zetten, terwijl er voor dat specifieke individuele vervoermiddel geen duidelijke indicatie aanwezig is.
De in het eerste lid genoemde termijn bedraagt maximaal vijf jaar.
Eventuele aanpassingen aan dat vervoermiddel dienen te worden voldaan uit het in het eerste lid genoemd beschikbaar te stellen bedrag.
Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.
Artikel 32. Vormen van rolstoelvoorzieningen.
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
een algemene voorziening waaronder een algemene rolstoelvoorziening;
een rolstoelvoorziening in natura;
aanpassing van de onder b. genoemde rolstoel;
medisch noodzakelijke accessoires van de onder b genoemde rolstoel;
een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;
een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel of een sportvoorziening anders dan een sportrolstoel.
Een rolstoelvoorziening kan, mits deze voldoet aan het in het onderzoek gestelde pakket van eisen, zowel nieuw zijn als gebruikt.
Artikel 33. Het recht op een rolstoelvoorziening
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 32, onder a, b, c , d en e vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 32, onder f. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.
Artikel 34. Rolstoelvoorziening in natura
Verstrekking van rolstoelvoorzieningen in natura geschiedt door of namens het college.
Het college:
verstrekt rolstoelen in bruikleen;
draagt zorg voor periodiek onderhoud van de in lid a. verstrekte rolstoel;
draagt zorg voor een contract met een leverancier waarin is geregeld dat de persoon met beperkingen in noodsituaties op snelle en adequate wijze geholpen wordt en zijn mobiliteit kan herkrijgen;
kan nadere regels stellen over de samenstelling van het aanbod van rolstoelen waaruit de persoon met beperkingen zijn keuze kan maken;
verstrekt een voorziening op maat als de persoon met beperkingen dusdanige beperkingen heeft dat een verstrekking vanuit het standaardpakket niet mogelijk is;
vergewist zich ervan dat, als een situatie als bedoeld onder d. zich voordoet, een rolstoel op maat binnen een aanvaardbare termijn geleverd kan worden;
biedt zo mogelijk een tijdelijke voorziening aan die zo veel als mogelijk aansluit bij de belemmeringen van de persoon met beperkingen als de termijn van acht weken niet gehaald wordt, tenzij er een voorliggende voorziening aanwezig is in de vorm van tijdelijke uitleen vanuit de AWBZ-hulpmiddelen.
Artikel 35. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.
In uitzondering op het gestelde in artikel 33, lid 1, komt een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel op grond van de AWBZ.
Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten.
Artikel 36. Gebruik aanvraagformulier.
Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier.
Artikel 37. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.
Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:
op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;
op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.
Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:
de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen;
het college dat gewenst vindt.
Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Bij de advisering zoals genoemd in lid 3 wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.
Indien de gevraagde voorziening op medische gronden wordt afgewezen, heeft de aanvrager recht op een second opinion. Het college wijst in samenspraak met de aanvrager een gekwalificeerde instantie aan die de second opinion gaat verzorgen. De second opinion prevaleert boven het door de aanvrager betwiste medisch advies.
De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.
Artikel 38. Samenhangende afstemming.
Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek verrichten naar de situatie van de aanvrager.
Artikel 39. Wijzigingen in de situatie.
Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
Artikel 40. Intrekking van een voorziening
Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;
op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.
Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 41. Terugvordering
Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.
In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen.
Artikel 42. Hardheidsclausule.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 43. Indexering.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Schagen geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 44. Inwerkingtreding.
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Hoofdstuk 5.
Artikel 27
De vervoersbehoefte rond de eigen woning
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012