Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.2

Artikel 15.33

Wet Milieubeheer

Onderdeel van Verordening Reinigingsheffingen 2013

1. Elke gemeente kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds. 3. Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219, 229d en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. In artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het gemeentebestuur er zorg voor draagt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige stoffen geregeld in een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Indien de gemeente voldoet aan de hier beschreven verplichting dan kan zij ter bestrijding van de hieraan verbonden kosten een Afvalstoffenheffing instellen. Het maakt niet uit of ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de reinigingsdienst. Bij vakantiehuisjes die slechts 40 dagen per jaar werden gebruikt, maar waar de gemeente wel aan de inzamelplicht voldeed, kon de gemeente dan ook een aanslag Afvalstoffenheffing opleggen naar het volle tarief. Bij de Afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van het feitelijk gebruik van het perceel waarvoor de inzamelplicht geldt, ongeacht het feitelijk gebruik van de door de gemeente verleende dienst. Zie onder andere HR 30 mei 2001, nr. 36047, VN 2001/32.31 (Hengelo). De Hoge Raad oordeelde hier dat op grond van artikel 10. 11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bestaat ten aanzien van percelen waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Het is derhalve niet van belang of er daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. Zie ook de uitspraak van Hof Amsterdam van 13 september 1995, nr. 93/4751 (fiscaal up to date 96-120). Het Hof oordeelde dat de heffing ook verschuldigd is als van de gemeentelijke huisvuilophaaldienst weinig of geen gebruik wordt gemaakt. De man die beweerde dat hij zijn vuilnis altijd bij zijn bedrijf liet inzamelen, moest de Afvalstoffenheffing toch betalen. Voor een vergelijkbare casus zie Hof Amsterdam 16 mei 2000, nr. 99/3654, Belastingblad 2000, blz. 896. Indien de gemeente de haar in artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer opgelegde verplichting niet nakomt dan kan de gemeente geen Afvalstoffenheffing heffen. Dit volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 15 februari 1984, nr. 22 311, BNB 1984/154, Belastingblad 1984, blz. 216 (Heerenveen), en van 2 januari 1985, nr. 22 664, BNB 1985/102, Belastingblad 1985, blz. 161 (Epe). In deze arresten heeft de Hoge Raad tevens beslist dat een redelijke uitleg van de inzamelplicht meebrengt dat deze verplichting zich niet uitstrekt buiten de voor het openbaar rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke wegen. Dat de Afvalstoffenheffing niet los kan worden gezien van de inzamelplicht blijkt ook uit een uitspraak Hof Den Haag van 28 juni 2000, nr. 98/4490, Fiscaal up-to-date. In deze uitspraak oordeelde het Hof dat Afvalstoffenheffing niet mogelijk was omdat de gemeente geen duobak had uitgereikt. Door geen duobak uit te reiken voert de gemeente feitelijk de op haar rustende inzamelplicht niet uit. De gemeente voldoet ook niet aan haar inzamelplicht, indien feitelijk met een lagere frequentie wordt ingezameld dan de gemeente zelf blijkens haar beleid noodzakelijk acht en in verband daarmee geen maatregelen treft (Hof Arnhem 17 augustus 2004, nr. 04/00118, LJN: AR2922 (Almelo).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel