In de bodem van het perceel kunnen zaken of omstandigheden worden aangetroffen van monumentale of archeologische waarde in de zin van de Monumentenwet. Graafwerkzaamheden in het perceel worden ten aanzien van archeologische vondsten aangemerkt als een opgraving in de zin van de Monumentenwet. De gemeente behoudt zich de eigendom van dergelijke vondsten voor, voorzover de wet zich daartegen niet verzet.
erfpachter wordt van dergelijke zaken of omstandigheden slechts als eigenaar beschouwd indien en voorzover hij overeenkomstig artikel 43 van de Monumentenwet kan aantonen daarvan eigenaar te zijn en is verplicht aan de gemeente van eventuele vondsten melding te maken.
In geval er bij werkzaamheden zaken of omstandigheden worden aangetroffen als bedoeld in artikel 47 Monumentenwet, wordt daarvan onverwijld aan de burgemeester melding gemaakt. De burgemeester kan daarop de werkzaamheden in het gebied waarin deze zaken of omstandigheden zijn aangetroffen met onmiddellijke ingang voor ten hoogste drie dagen stilleggen. De minister heeft op grond van artikel 42 Monumentenwet de mogelijkheid om de werkzaamheden voor een langere termijn dan genoemd op te schorten.
De kosten en schade ontstaan door het stilleggen van de werkzaamheden gedurende de eerste drie dagen zullen, voorzover deze niet door de Staat worden vergoed, ieder voor de helft voor rekening komen van de gemeente en de erfpachter tezamen. De kosten van het doen van onderzoek, opgraving en de overige werkzaamheden daartoe komen, voorzover deze niet door de Staat vergoed worden, voor rekening van de gemeente.
Hoofdstuk
Artikel 6
Archeologische vondsten
Onderdeel van Algemene Bepalingen voor uitgifte van onroerende zaken in erfpacht 2006