Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 10

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening socialezekerheidswetten Stadskanaal 2013

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, artikel 20, tweede lid van de IOAW of artikel 20, eerste lid van de IOAZ anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a of b van deze verordening, wordt een verlaging opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval verstaan: het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of vermogensbestanddelen voor zover de noodzaak tot bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien; het verwijtbaar geen beroep (kunnen) doen op een voorliggende voorziening, door deze niet te gelde te maken dan wel weigeren er een beroep op te doen, daaronder eveneens begrepen het doen van een beroep op bijstand omdat een voorliggende voorziening volledig verrekend wordt met een bestuurlijke boete en betrokkene om die reden niet kan voorzien in de kosten van het bestaan; het niet voldoen aan een ingevolge artikel 38, eerste lid van het Bbz door het college opgelegde verplichting. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of algemeen geaccepteerde arbeid waarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWB respectievelijk artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de IOAW en de IOAZ. [ Gelezen moet worden voor dit lid: artikel 10, tweede lid, onderdeel d. ] De verlaging als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt op de volgende wijze vastgesteld: indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld of bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De verlaging als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, bestaande uit het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid van de WWB, bedraagt 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel