De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Gedragingen als bedoeld in dit artikel leiden ertoe dat belanghebbenden eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. De gedragingen worden onderscheiden in twee categorieën. De eerste en tweede categorie. De ernst van gedraging is daarbij het onderscheidend criterium. De maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Eerste lid(eerste categorie)
a.Niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen. Een belanghebbende heeft de verplichting om bij echtscheiding of het ontbinden van een samenleving zo spoedig mogelijk een boedelscheiding tot stand te brengen. Er dient al het mogelijke te worden ondernomen om dit te bewerkstelligen. Middelen verkregen uit de boedelscheiding kunnen er immers toe leiden dat belanghebbende geen beroep op bijstand hoeft te doen;
Tweede lid(tweede categorie)
Verkoop eigen woning beneden de WOZ-waarde. Een woning kan voor aanvang van de bijstand of tijdens de bijstandsverlening worden verkocht voor een prijs aanzienlijk beneden de werkelijke waarde waardoor er eerder of langer een beroep op bijstand moet worden gedaan;
Te snelle intering van vermogen. Door te snel op het aanwezige vermogen in te teren, moet er eerder of langer een beroep op bijstand worden gedaan;
Onderbedeling bij echtscheiding. Door bij echtscheiding in te stemmen met onderbedeling ten aanzien van de verdeling van het gezamenlijk vermogen/de boedel, moet er eerder een beroep op bijstand worden gedaan;
Te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening. Wanneer er door nalatigheid niet tijdig aanspraak is gemaakt op een voorliggende voorziening moet er (eerder of langer) een beroep op bijstand worden gedaan;
Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.Het gaat hier zowel om het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de bijstand als tijdens de bijstand. In het laatste geval kan het bijvoorbeeld gaan om arbeid in deeltijd. Door de gedraging moet een beroep op (meer) bijstand worden gedaan;
Het door eigen schuld verliezen van het recht op een sociale zekerheidsuitkeringWanneer een belanghebbende blijvend geheel of gedeeltelijk zijn recht op een sociale zekerheidsuitkering verliest waardoor hij een beroep moet doen op bijstand, is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaand. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin belanghebbende tijdelijk geheel of gedeeltelijk zijn recht op een sociale zekerheidsuitkering verliest;
Bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter vastgestelde alimentatieDe gedraging heeft tot gevolg dat belanghebbende eerder of tot een hoger bedrag een beroep op bijstand moet doen;
Het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekeringOp grond van artikel 2 lid 1 Zorgverzekeringswet is een ieder verplicht een basisverzekering af te sluiten bij een zorgverzekeraar, die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is. Militairen en gemoedsbezwaarden zijn van deze verplichting uitgezonderd (artikel 2 lid 2 Zorgverzekeringswet). Ontvangt een belanghebbende geen vergoeding omdat hij geen verplichte basisverzekering heeft afgesloten of geroyeerd is, dan is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
Bovengenoemde lijst met gedragingen is uiteraard niet uitputtend. Indien er andere gedragingen plaatsvinden, waardoor belanghebbenden (langer of eerder) een beroep op bijstand moeten doen is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Door gedragingen genoemd in het tweede lid moeten belanghebbenden een beroep doen op bijstand of eerder of langer een beroep doen op bijstand. Reden waarom een maatregel van 100% wordt opgelegd. Alleen een maatregel opleggen van 100% gedurende één maand is in deze gevallen niet altijd effectief. Zeker niet indien belanghebbende bij voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan gedurende langere tijd niet bijstandsafhankelijk zou zijn geweest. Het college heeft dan ook de bevoegdheid in dergelijke gevallen de bijstand in de vorm van geldlening toe te kennen. Artikel 48, tweede lid, onderdeel b, WWB biedt die mogelijkheid. De WWB verzet zich er niet tegen dat in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening een verlaging op de bijstand wordt toegepast en dat daarnaast de bijstand -gedurende een aan dat tekortschietend besef te relateren periode- in de vorm van een geldlening wordt toegekend. Wel dient uit oogpunt van evenredigheid bij een dergelijke cumulatie van sancties wel voldoende acht te worden geslagen op het totale effect ervan voor de bijstandsgerechtigde (CRvB 20 maart 2007, nrs. 06/515 NABW en 06/517 NABW).
Hoofdstuk 4.
Artikel 14.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012