Het is mogelijk om aan belanghebbenden aanvullende verplichtingen op te leggen op grond van artikel 55 en 57 van de wet. Het opleggen van deze verplichtingen is afhankelijk van de individuele situatie. Als de verplichtingen genoemd in dit artikel worden opgelegd, zonder dat daar een maatregel tegenover staat, dan zijn deze verplichtingen niet afdwingbaar. Ook hier worden de gedragingen in twee categorieën onderscheiden. Hieronder worden de gedragingen weergegeven.
Eerste lid ( eerste categorie)
Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te werken aan een noodzakelijke behandeling van medische aard(tweede categorie) Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de medische/psychische klachten van belanghebbende een dusdanige belemmering vormen voor de plicht tot arbeidsinschakeling en/of het verminderen of beëindigen van de bijstand, dan kan de verplichting worden opgelegd dat er medewerking dient te worden verleend aan een noodzakelijke behandeling van medische aard (artikel 55 WWB). Onder het begrip medische aard moet mede worden verstaan enigerlei vorm van professionele hulp die naar zijn aard en doel overeen komt met een medische behandeling, voorbeelden hiervan zijn psychische hulp of hulp bij verslavingsproblemen.
Het niet of onvoldoende nakomen van de budgetteringsplichtIndien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om aan te nemen dat belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan de verplichting worden opgelegd dat er noodzakelijke betalingen worden verricht vanuit de uitkering (artikel 57 sub a WWB). Werkt een belanghebbende niet aan deze verplichting mee dan ontstaan (meer) schulden. Schulden werken belemmerend voor de plicht tot arbeidsinschakeling en vormen ook een belemmering voor het verminderen of beëindigen van bijstand. Ten opzichte van de vorige verordening is deze gedraging in een hogere categorie ondergebracht. Een maatregel van 5% heeft voor belanghebbenden bij wie budgettering aan de orde is geen effect. Bij de meesten van hen is immers al beslag op de uitkering gelegd;
Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te werken aan een schuldsaneringIndien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de schulden van belanghebbende een dusdanige belemmering vormen voor de plicht tot arbeidsinschakeling en/of het verminderen of beëindigen van de bijstand, dan kan de verplichting worden opgelegd dat er medewerking dient te worden verleend aan een schuldsanering (artikel 55 WWB). Ten opzichte van de vorige verordening is deze gedraging in een hogere categorie ondergebracht. Een maatregel van 5% heeft voor belanghebbenden bij wie budgettering aan de orde is geen effect. Bij de meesten van hen is immers al beslag op de uitkering gelegd;
Tweede lid ( tweede categorie)
a. Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting om partneralimentatie te vorderen van de(ex-)echtgenoot, (ex-)geregistreerd partner
( zie toelichting onder e).
b. Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen om kinderalimentatie te vorderen van de
(ex)- echtgenoot, ( ex) – geregistreerd partner of van degene die onderhoudsplichting is voor het kind
of de kinderen
Een belanghebbende met alimentatie stroomt sneller uit de bijstand. Een belanghebbende die bijvoorbeeld kinderalimentatie ontvangt, heeft minder overige inkomsten nodig om niet meer afhankelijk te zijn van een bijstandsuitkering. Belanghebbenden die een beroep op de bijstand doen en in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden daarom geacht alimentatie te vorderen van hun (ex-)echtgenoten en (ex-) geregistreerd partners ten behoeve van:
de kinderen
zichzelf.
Vanzelfsprekend kan de verplichting op grond van artikel 55 van de wet alleen opgelegd worden als de (ex-)echtgenoot of (ex-)geregistreerd partner onderhoudsplichtig is voor belanghebbende en/of de kinderen.
Is belanghebbende niet gehuwd (geweest) of geen geregistreerd partnerschap aangegaan, maar heeft hij/zij wel kinderen ten behoeve van wie de bijstand mede strekt, dan moet ook deze belanghebbende alimentatie vorderen ten behoeve van de kinderen. Ook hiervoor geldt dat de verplichting alleen kan worden opgelegd als de andere ouder onderhoudsplichtig is voor de kinderen.
In het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247 BW) is voor ouders expliciet de verplichting opgenomen om ten behoeve van hun kinderen een ouderschapsplan op te stellen. In het BW zijn daarover de volgende hoofdpunten opgenomen:
De ouders zijn verplicht een ouderschapsplan te voegen bij een verzoek tot echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd partnerschap of scheiding van tafel en bed. Deze verplichting geldt ook voor samenwonende ouders die gezamenlijk gezag over hun kinderen uitoefenen.
De ouders maken in het ouderschapsplan over drie onderwerpen in ieder geval afspraken: zorgverdeling, kinderalimentatie en informatie-uitwisseling over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 15.
Overige maatregelwaardige gedragingen
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012