Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen
moet worden herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn
na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
beplanting moet worden vervangen;
Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde
van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief
worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat:
de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is
verstreken zonder dat bezwaar of beroep is
ingediend;
beslist is op een verzoek om een voorlopige
voorziening;
beslist is op het bezwaar of het (hoger) beroep van
derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is
gedaan.
Hoofdstuk › Afdeling
Artikel 4.3.7
Bijzondere vergunningsvoorschriften
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2006