Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor
verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe
door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
de aanschrijving vast te stellen termijn:
indien de iepen in de grond staan, deze te
vellen;
de iepen te ontschorsen en de schors te
vernietigen;
of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
vernietigen of zodanig te behandelen dat
verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout
met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in
voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan
ontheffing verlenen van dit verbod.
Hoofdstuk › Afdeling
Artikel 4.3.9
Bestrijding iepziekte
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2006