Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 12

Artikel 2.61

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2010 APV

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b.. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, openbare vijver of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; c.. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. 2.. Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. 3.. Het verbod geld niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien de eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar opleidt tot geleidehond. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen en/of gebieden buiten de bebouwde kom aanwijzen, waar het de eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat die hond is aangelijnd.

Rechtspraak bij dit artikel